spelling: verkleinwoorden in zinnen 1

In deze oefenzinnen ga je van de zelfstandig naamwoorden een verkleinwoord maken. Je kunt de uitleg van de verkleinwoorden lezen of je kunt eerst het verkleinwoord los oefenen

Vul het verkleinwoord in de zinnen in.


1: Wat een klein (teen) zit aan jouw (voet) !

2: Jij hebt een vies (nagel) aan jouw (vinger) .

3: Er zit een (stof) in mijn (oog) .

4: Doe jij je (been) maar in je (broek) .

5: Het (muts) mag op je (hoofd) .

Bestellen Inloggen

Volgende

  • oefening naam