woordenschat: werkwoord in uitdrukking 1

In deze zinnen zijn allerlei uitdrukkingen gebruikt. Je hebt al geoefend met de betekenis van de uitdrukkingen. Nu ga je oefenen met het gebruik van de uitdrukkingen door de juiste vorm van het werkwoord in te vullen. 

Je kunt ook eerst andere oefeningen maken over de werkwoordspelling.  

In de onderstaande zinnen vul je de juiste werkwoordsvorm in. Bij de persoonsvorm kies je meestal voor de tegenwoordige tijd, in sommige zinnen vul je het voltooid deelwoord in. 

1: Pas maar op, hij (splitsen) iedereen altijd iets in de maag.

2: Simon had Jasper in de kaart (spelen) .

3: Hij (houden) nog even een slag om de arm.

4: Luister maar niet naar zijn opschepperige verhaal, want hij (blazen) altijd erg hoog van de toren.

5: Pas maar op voordat hij je iets op de mouw (spelden) .

Voor € 12,- per jaar kun je een jaar lang alle oefeningen maken. Bestel nu!
Inloggen
Score
0%

Volgende

  • oefening naam