Het juiste lidwoord gebruiken

Uitleg

Er zijn drie lidwoorden: de, het, een. De en het zijn bepaalde lidwoorden. Een is een onbepaald lidwoord.


Het gebruik je voor onzijdige woorden en de voor vrouwelijke of mannelijke woorden. Een mag voor beide woorden worden gebruikt.


De 

De is een bepaalde lidwoord en je gebruikt de voor mannelijke en vrouwelijke woorden: de-woorden. 

  • de fiets
  • de trein
  • de bal


Het

Het is een bepaald lidwoord en je gebruikt het voor onzijdige woorden: het-woorden. 

  • het zout 
  • het huis


Een

Het lidwoord een kan voor de-woorden en het-woorden worden gebruikt. Een is een onbepaald lidwoord.

  • een fiets
  • een huis
  • een juf


De of het?

De lidwoorden zijn erg lastig te onthouden voor nieuwkomers, voor mensen met Nederlands als eerste taal is dit vaak makkelijker. Er zijn een paar regels voor lidwoorden, maar het is vooral belangrijk om vaak te oefenen. 


Regels

de-woorden

De meeste woorden zijn de-woorden. Dus als je twijfelt kies je voor 'de'.

  • het meervoud is altijd de
    • de schoenen
  • vruchten, bomen, rivieren en bergen zijn altijd de-woorden
    • de peer, de eik, de Waal


het-woorden

Het-woorden komen veel minder vaak voor. Hier staan enkele regels voor het-woorden.


  • alle verkleinwoorden zijn het-woorden
    • het huisje
    • het boekje
  • namen van talen, landen en plaatsen
    • het Nederlands
    • het mooie Nederland
    • het prachtige Groningen
  • namen van metalen
    • het ijzer
    • het goud
  • namen van windrichtingen 
    • het oosten
    • het zuidwesten
  • woorden die eindigen op -isme 
    • het alfabetisme
    • het communisme


Lijstje van het-woorden

Deze het-woorden komen vaak voor, leer ze uit je hoofd. Er zijn nog veel meer het-woorden. 

  • het woord
  • het boek
  • het schrift
  • het potlood
  • het raam
  • het zout
  • het onderwijs
  • het geld
  • het cijfer
  • het huis
  • het dier
  • het hotel, het café, het restaurant
  • het formulier
  • het rijbewijs, het identiteitsbewijs, het paspoort
  • het bord
  • het glas
  • het mes
  • het papier
  • het werk
  • het spel
  • het ei
  • het jaar


Oefen hier de lidwoorden, oefen ook met die en dat of dit en deze.

Tip: vraag aan mensen of ze je willen verbeteren. 



Volgende

  • oefening naam