Niet
Deze uitleg gaat over de plaats van het woordje niet in een zin. Met niet kun je een zin of een deel van een zin ontkennen. Een ander woord voor niet is negatie.
Waar zet je het woordje niet in een zin? Deze uitleg gaat over de plaats van niet in een zin. In deze uitleg lees je de belangrijkste regels voor eenvoudige zinnen.
Hoofdregel: aan het eind van de zin
De belangrijkste regel is: je zet niet aan het eind van de zin.
- Ik huil niet.
- Hij kijkt niet.
- Wij vervelen ons niet.
Vóór
Je zet niet voor het stukje van de zin dat wordt ontkent. Hieronder staat extra uitleg. Lees eerst de voorbeelden:
- Ik ben lang.
- Ik ben niet lang.
- Ik ga naar huis.
- Ik ga niet naar huis.
- Ik wilde bellen.
- Ik wilde niet bellen.
- Vóór een bijwoord of een bijvoeglijk naamwoord
Je plaatst niet vóór een bijwoord of een bijvoeglijk naamwoord (een woord dat iets zegt over een ander woord). Kijk naar de voorbeelden.
- Ik ben niet moe.
- Rogier werkt niet hard.
Het meisje is niet lief.
- Vóór een voorzetsel
Je plaatst niet voor een voorzetsel, lees hier de uitleg over voorzetsels of oefen met het herkennen van voorzetsels.
- Ik ga niet naar de stad.
- Ik geef dat niet aan jou.
- Josje wil niet door de regen fietsen.
- Vóór de extra werkwoorden
Staan er extra werkwoorden in de zin? Dan zet je niet vóór die extra werkwoorden.
- Ik ga niet eten.
- Ik had niet willen huilen.
- Ik wil niet leren zwemmen.
Maak hier de oefeningen over zinnen met het woordje niet.
Wil je meer weten over het verschil tussen niet en geen? Lees dan deze uitleg.
Extra moeilijk
Soms kan niet op twee plaatsen in de zin staan, maar dan betekent het niet hetzelfde. Kijk maar naar de voorbeelden.
- Niet alle cursisten waren op tijd.
- Sommige cursisten waren te laat.
- Alle cursisten waren niet op tijd.
- Alle cursisten waren te laat.
- Niet al het snoep was opgegeten.
- Er was nog snoep over.
- Al het snoep is niet opgegeten.
- Al het snoep is over.